Interview met Hans Boutellier, directeur Verwey-Jonker Instituut, over De Improvisatiemaatschappij

“Ik zie veel handelingsverlegenheid bij bestuurders en professionals”

Burgers ervaren de samenleving steeds meer als chaotisch, complex, richtingloos. Toch is er feitelijk gezien geen sprake van chaos. De samenleving is nog steeds georganiseerd, maar wel op een andere manier. Sociale orde wordt iedere keer opnieuw uitgevonden, stelt Hans Boutellier, directeur van het Verwey-Jonker Instituut te Utrecht. Boutellier schreef het boek 'De Improvisatiemaatschappij', waarin hij onder meer inzoomt op veiligheidsprogramma's en de roep om actief burgerschap.

door Loek Kusiak en Jan Dirven

Het Verwey-Jonker Instituut doet onderzoek naar maatschappelijke vraagstukken. Waar gaat het zoal om?
“We zijn 20 jaar geleden opgericht door het voormalige ministerie van WVC – nu VWS – als onderzoeksinstituut op het gebied van zorg en welzijn en vooral over thema's die patiënten- en consumentenorganisaties aangaan. Sinds 2006 staan we zonder subsidie op eigen benen, maar adviseren op basis van onderzoek nog steeds departementen en andere overheden, zoals gemeenten. We werken opdrachtgericht en behalen daarmee omzet. Voor WVS volgen we de voortgang rond de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). We hebben hierover een schat aan expertise opgebouwd. Gemeenten kunnen ons benaderen, bijvoorbeeld met de vraag hun armoedesituatie in kaart te brengen. Of de vraag: 'Welke modellen Wmo-raden hebben zich ontwikkeld?' Of: 'Hoe kunnen we burgerkracht ontwikkelen?' Die kennis kunnen wij leveren. We zijn geen consultant maar faciliteren het beleidsproces. Welke type proces wil je qua inhoud en vorm? Daarop zitten veel gemeenten tegenwoordig behoorlijk te kauwen. De overdracht van beleid van Den Haag naar de gemeenten maakt ze tot een hub, een centraal knooppunt voor sociaal beleid. Gemeenten worstelen met de vraag hoe ze om moeten gaan met al die verschillende houdingen en actoren. Het is één grote governance-puzzel. We willen zaken overdragen aan de samenleving, maar hoe trekken we dat van de grond? Dat is een fundamentele vraag.”

Uw boek 'De Improvisatiemaatschappij' gaat over hoe de netwerksamenleving zich organiseert. Door netwerkverhoudingen en internationalisering van de samenleving krijgen de verticaal georiënteerde overheden het lastig. Tegelijkertijd worden onder het mom van je eigen verantwoordelijkheid nemen enorme bezuinigingen over de schutting gegooid. Wat denkt u daarvan?
”De herbezinning op de verzorgingsstaat en decentralisatie naar de burger is in volle gang. Ons instituut volgt hoe zich dat ontwikkelt. Neem het vrijwilligerswerk. Tien jaar geleden zag de politiek dat als gescharrel in de marge. Nu is dat een groot onderwerp. Onder druk van de bezuinigingen wordt veel vloeibaar en ontwikkelt zich een civiele samenleving. Waar sociale orde vandaan komt is een klassieke vraag en de hoofdvraag van de sociologie. Nieuw is de vraag hoe de netwerkmaatschappij sociale orde creëert. Zowel de institutionele wereld als burgers zijn koortsachtig op zoek naar nieuwe vormen van verhoudingen. Het lijkt alsof we in een samenleving leven die enorm complex en richtingsloos is. Oude ideologieën zijn verwaterd en pragmatisch handelen heeft de overhand gekregen. Burgers zijn op drift of voelen zich verweesd. Er is een ervaring van chaos. Bestuurders snakken naar een richting, wethouders weten het vaak echt niet meer. Zelfs bij professionals als rechters en leerkrachten zie ik handelingsverlegenheid. En toch is het géén chaos. Het is klaarblijkelijk zo dat de samenleving zich op een behoorlijk constructieve manier organiseert. Maar je ziet pogingen om de complexe samenleving op een geforceerde manier te organiseren.”

Kunt u dat toelichten met een voorbeeld?
“Het veiligheidsbeleid is typisch zo een ordeningsprogramma van de laatste 20 jaar. Veiligheid heeft enorm veel aandacht gekregen. En dat betreft allerlei soorten veiligheid: op straat, in de industrie, het verkeer, voedselveiligheid, enzovoort. Het reglementeren, standaardiseren en garanderen van veiligheid is een concept geworden om die onzekerheid, die complexiteit zonder richting te beheersen.

Het gevoel alleen al: dat je niet kunt sturen. Dat geeft kennelijk al een gevoel van onveiligheid?
“Absoluut. Daarom is veiligheid een van de meest succesvolle ordeningsprogramma's, los van je er verder van vindt. Een ander programma dat ik in mijn boek analyseer is het waarden en normen-offensief van Balkenende. Dat staat in verband met de opkomst, tien jaar geleden, van het conservatisme. Dit beschavingsoffensief was ook gebaseerd op een verlangen weer meer ordening te krijgen. Dat is mislukt. Een van bovenaf gedropt verhaal, dat niet in de samenleving werkt, over fatsoen, en niet werd doorgetrokken naar sociale en politieke waarden. Terwijl dát juist interessant was geweest voor het op gang brengen van een duurzame sociale ontwikkeling. Ook de roep om actief burgerschap is zo'n poging om de ervaren complexiteit en het gevoel van wanorde te beheersen.”

Wat is de kernvraag geweest die u zich bij het schrijven 'De Improvisatiemaatschappij' heeft gesteld?
“Die vraag is: hoe kan ik begrijpen dat de samenleving complex is, zonder richting en toch georganiseerd? Waar komt die werkzaamheid vandaan dat er ondanks verwarring toch sociale orde is? Toen heb ik me verdiept in de complexiteitstheorieën, in de natuurwetenschap en de biologie. Vergelijk het met een zwerm spreeuwen waar niemand leiding aan geeft en die toch een patroon maken. Een toestand kan tegelijk chaotisch en toch geordend zijn. Maar mensen zijn geen spreeuwen. Hoe kan ik dat nu snappen voor een menselijke samenleving? Vervolgens las ik een interview met een jazzgitarist. Hij vertelde dat je zijn muziek moet beschouwen als een georganiseerde vrijheid. In jazzmuziek zitten allerlei improvisaties. En hoewel het niet helemaal is uitgeschreven, is de muziek toch gestructureerd. De setting, elkaar de ruimte gunnen, de vaardigheden tot samenspel, dat is ook van toepassing op onze samenleving. Onder de kakofonie zitten nog steeds ritmes die richting aangeven. Als je dat snapt, ga je ook anders naar de samenleving kijken.
Politici moeten niet met grote voorstellen komen, maar de kunst beheersen om verhalen te vertellen die mensen voedt, inspireert, bindt. Het vertellen van die verhalen is wel onderdeel van het bouwen aan en vormgeven van die netwerksamenleving. Maar uiteindelijk gaat het dus wel om politiek, om hoe je als politicus opereert in die netwerkmaatschappij en om de politieke beslissingen die genomen worden.”

Kan die overheid wel beslissen als hij één van de participanten in die netwerken is? Ofwel: als iedereen stuurt en inbrengt, kan de overheid nog wel sturen?
“Daar kun je tot op zekere hoogte van uit gaan. Het is niet allemaal horizontaal wat de klok slaat. Per slot zullen gezagsverhoudingen blijven bestaan. De overheid heeft het geweldsmonopolie, int belastingen en kan mensen tot een celstraf veroordelen. Anderzijds: de overheid moet ook de kunst van het improviseren leren beheersen. De overheid kan beleid maken dat er op is gericht de burgers zelf het werk te laten doen. Ordening wordt pas geaccepteerd, als het aansluit bij wat de burgers doen en willen, en niet als de overheid de burgers alleen maar instrumenteel ziet. Zij moet erkennen dat de netwerksamenleving bestaat en evolueert dankzij het zelforganiserend vermogen van burgers. De overheid moet erop vertrouwen dat burgers dat ook goed doen.”

De overheid decentraliseert, treedt terug en legt taken, zoals in de zorg, neer bij burgers, maar onttrekt met bezuinigingen ook veel geld aan de zorg. Een greep in de kas. Waardoor kwaliteit of toegankelijkheid van zorg in het geding komt. En de burger mag het oplossen?
“Het is niet raar dat de overheid moet bezuinigen. De opgave is: hoe kun je die zich ontwikkelende dynamiek in de samenleving verbinden met de nieuwe rol van de overheid. De kritiek dat je in de toekomst je hulpbehoevende buurman moet helpen bij douchen als de thuiszorg niet meer aanbelt, vind ik een wat karikaturale voorstelling van zaken. Hoe je de verhoudingen tussen de formele en informele netwerken beter op elkaar afgestemd krijgt, is echter een legitieme vraag.”

Hoe moet je dat dan organiseren?
“Als voorbeeld noem ik de Stichting Gezondheid Allochtone Nederlanders. Die bekommert zich om de grote afstand tussen geestelijke gezondheidszorg, of kankerzorg en allerlei migrantengroepen. Die stichting werkt als een effectieve intermediair tussen het formele systeem en de migrantengemeenschap. Ander voorbeeld is dat van een student die ik begeleid heb. Hij heeft de tweets bestudeerd van een wijkagent. Mij heeft dat echt de ogen geopend. Hier ontwikkelt zich participatieve democratie. De agent attendeert via twitter ouders op het feit dat er veel kinderen op de stoep fietsen, of hij vraagt hen waar hij morgen tijdens zijn surveillanceronde speciaal op moet letten. Deze wijkagent is via de burgemeester wel vertegenwoordiger van het verticale, maar in de wijze waarop hij opereert is hij horizontaal bezig. Ons instituut volgt ook de sociale wijkteams, die in opkomst zijn en proberen met minder geld de zorg anders en beter te organiseren."

“Grote zorginstellingen hebben de neiging organisatiedoelen te realiseren. Ik vertel ze, zoals onlangs bij de instelling 's Heeren Loo, dat ze het denken vanuit de institutionele logica achter zich moeten laten. De uitdaging is om aan te sluiten bij de dynamiek van de omgeving en daar wederkerigheid in aan te brengen. Dat wil zeggen: 'Wij kunnen als instelling deze kwaliteit zorg leveren en spreek ons er op aan als wij het niet goed doen. Maar we verwachten ook dat jullie daar wat tegenover stellen, in de vorm bijvoorbeeld van informele zorgondersteuning door familie'. Als je het zo benadert, ben je ook kwalitatief aan het veranderen.”

Een netwerksamenleving moet het niet hebben van grote collectieve identiteiten, maar van relaties tussen knooppunten die gezamenlijk een samenleving organiseren. Is dat het?
“Ja, het gaat om de vraag: ‘Ga je leveren wat we hebben afgesproken?' Dat kan in een vertrouwensvorm, of wederkerigheidsvorm, en soms is een controlevorm noodzakelijk. Instituties, woningcorporaties bijvoorbeeld, moeten burgers niet meer aanspreken als klanten, niet in termen van 'u vraagt, wij draaien', maar in termen van dialoog en wederkerigheid. 'Wij kunnen dit voor u betekenen, maar samen met u kunnen we nog veel meer.' Ik ben ervan overtuigd dat deze manier van aanspreken bij de burger meer vertrouwen kweekt. Daarmee kun je de verweesdheid die burgers nu veelal voelen overbruggen. Afhankelijk van het schaalniveau of het type problematiek dat zich aandient, moet je bezien wat het beste arrangement voor samenwerking is."

“We moeten sturen in termen van problemen en kansen door met partijen een gemeenschappelijk gevoel van urgentie te ontwikkelen en tot een gezamenlijke diagnose te komen. Bij het stellen van de diagnoses kan ons instituut een belangrijke rol spelen. Te vaak zie ik nog dat in samenwerkingsverbanden eindeloos tegen elkaar aan gepraat wordt zonder dat iemand de vinger op de juiste problematiek legt.”

Weergaven: 784

Opmerking

Je moet lid zijn van Horizontalisering om reacties te kunnen toevoegen!

Wordt lid van Horizontalisering

Reactie van Tom van Doormaal op 10 November 2014 op 21.56

Het komt mij niet allemaal zo helder over, b.v de oproep om af te zien van institutionele logica. Hoe doe je dat? Maar de kern is dat het bestuurlijke handelen schaalgebonden is. Ik verwacht van het rijk dat het verhoudingen schept, de structuren waarin op lokaal niveau geimproviseerd kan worden.

Dat is niet erg waarneembaar. Over subsidiariteit heb ik het dan nog niet eeens.

© 2017   Gemaakt door Jan Dirven.   Verzorgd door

Banners  |  Een probleem rapporteren?  |  Algemene voorwaarden