Bedrijven willen zelf verantwoordelijkheid nemen voor duurzame ketenontwikkeling

‘Dat bedrijven zelf verantwoordelijkheid willen nemen voor duurzame ketenontwikkeling vind ik bijzonder bemoedigend’.

Interview met SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan
door Loek Kusiak en Jan Dirven
foto: Christiaan Krouwel


‘Bedrijven, overheden, NGO’s, werkgevers en vakbonden in Nederland hebben najaar 2008 het Initiatief Duurzame Handel opgericht. Het doel is internationale handelsketen duurzamer te laten functioneren om zo armoedebestrijding in ontwikkelingslanden, een duurzame leefomgeving en eerlijke handel te bevorderen. We gaan niks verplichten, maar wel praktijkvoorbeelden presenteren en die stimuleren, waar niemand meer omheen kan.’

Alexander Rinnooy Kan vertelt bijzonder enthousiast over de verklaring die werkgevers, werknemers en overheid recent in de SER over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) hebben ondertekend en over het Initiatief Duurzame Handel (IDH), dat daar een concretisering van is.

‘Cacao, soja, natuursteen en hout- en bosproducten zijn bij uitstek de sectoren waar Nederlandse ondernemingen de afhankelijkheid voelen van hun buitenlandse leveranciers. Zij zijn onderdeel van internationale ketensystemen -van producent tot consument - met een eigen interne dynamiek en samenhang, waardoor een integrale benadering mogelijk is. Daarom richt het IDH zich in eerste instantie op deze vier internationale handelsketens’.

Duurzame ontwikkeling en beheer van ketensystemen

‘Het IDH wil buitenlandse leveranciers verleiden tot aanjagers voor duurzame ontwikkeling in hun regio. Daarbij gaat het om het voorkomen van roofbouw op natuur en milieu, om gezonde arbeidsomstandigheden, om een rechtvaardige beloning van werknemers en om een eerlijke prijs voor de producten en grondstoffen waarmee boeren en andere leveranciers onze handel en industrie voorzien’.

‘Nederlandse bedrijven die in de genoemde sectoren actief zijn en meedoen aan het IDH, gaan de komende drie jaren met verbeterprogramma’s aan de slag om de ketens waarin ze opereren te verduurzamen.
De deelnemers aan IDH bouwen praktijkervaringen op en wisselen kennis uit over het duurzamer maken van deze ketens. Ze monitoren wat ze doen en streven naar consensus in de besluitvorming’.

Niet vrijblijvend commitment

‘Het IDH sluit naadloos aan bij de verklaring die in de SER is ondertekend over internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen. Die verklaring moet gezien worden als een normatief kader dat good practices op het gebied van IMVO kan bevorderen.
Daarin speelt verantwoord ketenbeheer door bedrijven een belangrijke rol. De SER verstaat daaronder het vrijwillige, maar niet-vrijblijvende commitment van bedrijven om een positieve invloed uit te oefenen op het sociale- en het milieubeleid van toeleveranciers’.

‘Een bedrijf’, zegt Rinnooy Kan, ‘is wettelijk niet verantwoordelijk voor hetgeen zich bij haar internationale toeleveranciers afspeelt en wat er allemaal in de keten gebeurt. Vaak zijn er vele leveranciers. Maar je mag wel een groter commitment verlangen wanneer de relaties met deze toeleveranciers intensief zijn en je ook meer over deze toeleveranciers weet. Hoe moeilijk het ook is om verantwoordelijkheid te nemen voor het gedrag of de keuzes van de leverancier van de leverancier, we gaan het wél doen.’

Netwerken voor duurzame systeeminnovaties

‘Voor duurzame systeeminnovaties, zoals in de handelsketens van cacao, soja, natuursteen of hout, is voor elke keten een netwerk van tal van betrokkenen nodig. Het IDH als multistakeholder-initiatief faciliteert deze netwerken en lijkt een veelbelovende start te maken. Zo doen er onder meer 37, meest toonaangevende bedrijven en brancheorganisaties en 29 niet-gouvermentele organisaties (NGO’s) mee. Ook heeft het IDH een eigen directie en secretariaat en een eigen budget om verbeterprogramma’s voor intersectoraal leren op te zetten’.
Dat bedrijven zelf verantwoordelijkheid willen nemen, die verder gaat dan hetgeen volgens wetten en regels niet mag of niet hoeft, vindt Rinnooy Kan ‘bijzonder motiverend.’

Veranderen door te doen, ook al is dat lastig

‘Dit moet’ legt de SER-voorzitter uit, ‘een inspirerend maar ook alarmerend visioen zijn voor hoe je het abstracte gedachtegoed over het zelfsturend vermogen van ketenactoren kunt invullen en vormgeven. Voor mijn voorganger Herman Wijffels was dat ook een steeds terugkerend thema: hoe kan ik het primaat van de duurzaamheid anders inrichten en beter organiseren? En daar is alle reden toe, want in tal van opzichten vragen wij meer van de planeet dan die planeet kan bieden. Je kunt daar nog veel langer over praten en er abstracties op loslaten hoe je dat moet veranderen zonder dat de praktijk in beeld komt, maar wij gaan intussen ook wat dóen.
Tegelijk ben ik realist genoeg te weten dat we onderweg ook mensen zullen kwijtraken, die zullen zeggen: zó had ik het niet begrepen. Het is geen onschuldige overgang om je intensief te moeten bezighouden met hoe je leveranciers werken, met wie en waarom. Allerlei zorgen die in de warme gloed van de abstracties verdwijnen, worden zichtbaar in het kille daglicht.’

Een gezamenlijke interessante reis met een stap voor stap aanpak

‘Duurzaamheid tot stand brengen in de ketens, in de meest brede zin, gebeurt niet omdat alleen de regering dat wil, maar vooral omdat werkgevers en werknemers dat vinden. Het is van onderop ontstaan. Gezamenlijk beginnen we aan een interessante reis. Dat heeft ook te maken met het gelukkige feit dat de internationale Kamers van Koophandel, vaak gezien als een willoos instrument in handen van grootkapitaal, zich van hun beste kant laten zien. Zij zijn met concrete suggesties gekomen hoe je als bedrijf ketenbeheer in het buitenland kunt organiseren volgens een praktische stap voor stap aanpak.’

‘De eerste stap is dat bedrijven de keten goed in kaart brengen, dus nagaan waar hun toeleveranciers zitten en wie daar weer de leveranciers van zijn. Naarmate je meer te weten komt over wat er gebeurt tussen en met al die schakels in de keten, kun je daar ook iets aan te veranderen. Een bedrijf kan in onderhandelingen met zijn leveranciers aangeven welke zaken niet aan de eisen van duurzaamheid en kwaliteit voldoen. Dat veranderen zal niet altijd lukken, maar je moet er ook niet te gauw voor weglopen door te zeggen: ‘Dan zoek ik wel een ander die aan me levert.’ Geef het een faire kans en probeer stap voor stap het proces van duurzame ontwikkeling te beïnvloeden en bevorderen’.

Bemoedigende voorbeelden en kansen

Internationale concurrentie en consumentengedrag werken prijsverlagend. Staat dat niet op gespannen voet met duurzaam ondernemen in internationale ketens, omdat een eerlijke prijs voor people, planet, profit en politics juist prijsverhogend werkt?
‘Dat is niet voor elke sector hetzelfde. Er zijn gelukkig ook bemoedigende voorbeelden waarvoor dit niet geldt, het op geen enkele manier haaks staat op de noodzaak van een goed sociaal- en milieuprogramma, van een goed bedrijfsrendement of van goed overheidsbeleid. Daarom vond ik die voorbereidende bijeenkomsten voor het Initiatief Duurzame Handel ook zo bemoedigend. Daar hoorde ik van ondernemers dat het met die onverenigbaarheid reuze meevalt en dat je wel degelijk op een fatsoenlijke manier kunt produceren’.

‘En als mensen verstandig zijn, betalen ze ook die hogere prijs voor duurzaam geproduceerd hout of Fair Trade-producten. Bovendien hebben ondernemers er belang bij dat hun producten zich in de ogen van de consument positief onderscheiden, dat er met certificaten en keurmerken verschil gemaakt wordt met het product van de concurrent. De consument, zo hopen we dan maar, moet wel de discipline hebben om die keurmerken naar waarde te kunnen schatten. Tegelijk zit daar een zekere schizofrenie. We zijn aandeelhouder, consument én burger tegelijk. Als aandeelhouder willen we een hoger rendement, als burger een duurzame toekomst en als consument scherpe prijzen. Die vechten om voorrang en ieder moet voor zichzelf uitvinden hoe je die ambities met elkaar in evenwicht brengt. Maar het kan wel en het gebeurt ook: tevreden aandeelhouder zijn van een bedrijf dat tegelijkertijd duurzaam produceert.’

Meer scholing en minder kinderarbeid

Onderwijs en scholing zijn kerntaken van overheden. In veel ontwikkelingslanden merk je daar weinig van, waardoor kinderarbeid blijft bestaan. In hoeverre moeten Nederlandse bedrijven die in of met die landenwerken zich dat aantrekken?
‘Kinderarbeid is een ingewikkeld onderwerp. Bij mijn eerste bezoek aan India schrok ik van wat ik zag. Verbieden, met wortel en tak uitroeien, was mijn eerste reactie. Dit standpunt sta ik vijf jaar later uiteen te zetten op een conferentie van de ILO (International Labour Oganization). Totdat ik word onderbroken door een mevrouw van de vakbeweging in India, die zegt: ‘De moral high road die u schetst klinkt zeer aantrekkelijk, maar is buitengewoon ineffectief en contraproductief.’ En daar had ze inderdaad, moest ik achteraf toegeven, een punt. Want als je zou proberen kinderarbeid te verdrijven uit de westerse productieketens, is het netto-effect dat kinderen die nu in beroerde omstandigheden een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen in nog veel beroerdere omstandigheden belanden. Dan is je geweten misschien schoon, maar het effect van je handelen ineffectief.’

‘Accepteer daarom de realiteit van zo’n land waarin kinderen ook kostwinners zijn. En probeer te bedenken hoe je gezinsinkomens in stand kunt houden, maar kinderen ook een betere toekomst kunt geven. Ik ken het voorbeeld van een Amerikaanse onderneming die de kinderen die zich aanmelden voor arbeid een werkschema biedt. Naarmate ze ouder worden mogen ze iets langer werken, maar een flink deel van de tijd gaan ze naar een school die gefinancierd wordt door dat bedrijf.
Het IDH vindt dat heel belangrijk. We schrijven niet voor wat bedrijven moeten doen, maar geven wel aan in welke richting ze inspanningen moeten verrichten. Hun intrinsieke opgave is om ketens te beoordelen vanuit maatschappelijk verantwoord ondernemen. Je moet je license to operate steeds weten te verdienen en je rekenschap geven van wat je doet, voor zowel je klanten als aandeelhouders.’

Sneeuwbaleffect van innovatieve koplopers

Met vele ketenpartijen gezamenlijke verantwoordelijkheid voor MVO organiseren is niet eenvoudig en tijdrovend. Heb je toch ook niet enkele innovatieve koplopers nodig?
‘Dat zou ik fantastisch vinden. Want je kunt die keten voldoende indringend adresseren als er ergens in die keten één groot en gereputeerd bedrijf zit dat anderen kan uitleggen waarom het belangrijk is dat je relaties met duurzaam opererende leveranciers onderhoudt. Dat bedrijf kan, als het een belangrijke entree in een land heeft, ook makkelijker tegen zijn leveranciers zeggen: ‘Ik wil met u spreken over de manier waarop u uw productieproces organiseert, over de duurzaamheid daarvan en over de manier waarop u met uw mensen omgaat. Dat bedrijf kan ook zeggen: ik bespeur mogelijkheden voor verbetering en ik zou graag willen zien dat we gezamenlijk proberen deze verbeteringen ook in de andere schakels van de keten te realiseren. Dan breng je een sneeuwbaleffect op gang.’

‘Maar je begint nooit bij nul. Er is altijd iets. En dat zijn dan toevallig net niet die koplopers. Wat doe je dan? Even als voorbeeld: ik heb als bedrijf morgen en overmorgen producten nodig. Ik heb bestellingen die ik moet afleveren, ik heb daar een leverancier zitten. Ga je dan zitten afwachten totdat die leverancier uit zichzelf duurzaam gaat werken? Je hebt die leverancier niet zomaar gekozen. Hij zal je wel iets te bieden hebben. Dus laten we kijken of we dit bedrijf door middel van een gesprek in de goede richting kunnen duwen. Misschien wordt het wel koploper.’

Leren van valkuilen en teleurstellingen

Zijn bedrijven er ook op voorbereid dat hun initiatieven voor duurzaam ondernemen in ontwikkelingslanden ook minder succesvol kunnen uitpakken, dat innoveren ook leren is – met vallen en opstaan?
‘O ja, er zijn genoeg valkuilen. Je kunt je hoofd stoten, te maken krijgen met afspraken die niet worden nagekomen, je kunt voor de gek gehouden worden. In die zin is het een onzeker avontuur. Maar we moeten vooral waardering hebben voor het feit dat het georganiseerde bedrijfsleven bereid is dit te doen en dat we twee keer per jaar de stand van zaken doornemen. We moeten de goede voorbeelden bespreken, maar ook leren van de moeilijke momenten en schouderklopjes uitdelen waar die terecht zijn. Ieder kind dat uit een nare fabriekssituatie wordt gehaald en een flinke kans op onderwijs maakt, is de moeite waard. Ik denk dat het Nederlandse bedrijfsleven deze klus kan klaren.’

Moet de politiek dan ook niet mee veranderen: minder verticaal hiërarchisch regelen en controleren en meer ruimte en ondersteuning bieden aan horizontale netwerkinitiatieven van lerende innovatieve koplopers?
‘Van het parlement en de politiek mag je een kritische houding verwachten. De politiek hoeft er niet op te vertrouwen dat het allemaal vanzelf goed gaat. Je hebt het volste recht geïnformeerd te worden over wat je politiek belangrijk vindt. Maar tezelfdertijd moet je er ook op vertrouwen dat het Nederlandse bedrijfsleven, in dit concrete geval, forse stappen kan en wil maken. Ik ben bijzonder bemoedigd.’

Weergaven: 295

Opmerking

Je moet lid zijn van Horizontalisering om reacties te kunnen toevoegen!

Wordt lid van Horizontalisering

© 2018   Gemaakt door Jan Dirven.   Verzorgd door

Banners  |  Een probleem rapporteren?  |  Algemene voorwaarden